| |
|
|
 | |  | door Rein Stam zaterdag 22 november 2008 |  | Jacob Bremer uit Oosterend, vorige week
uitgebreid besproken in Butegaas, had niet
een echt gelukkige hand in de walvisvaart.
Het schip “de Vrouw Wijva Ida”, waarmee
hij in 1767 vroegtijdig naar Texel terug
moest, deed nog trouwe dienst tot 1777.
In dat jaar, een rampjaar voor de Groen-
landse walvisvaart, sloeg het noodlot toe.
In het ijs van het Hoge Noorden werd het
schip met de fraaie naam volledig gekraakt.
Aan boord hadden ze het spek van drie
walvissen dat door het ongeval verloren
ging. Weer een jaar zonder verdiensten!
Gelukkig brachten ze het er wel levend af. In
1774 was Jacob gelukkiger: Hij kwam thuis
met een lading van 280 vaten spek….
Werd er ook nog wat verdiend aan boord?
Commandeurs, stuurlui, harpoeniers en
speksnijders kregen voor de reis handgeld.
Dat varieerde van 100 tot 50 gulden. Tijdens
de reis kregen ze betaald per walvis, 20 tot
5 gulden en per vat traan, 20 tot 16 stuivers.
De overige bemanning was timmerman,
kok, schieman, kuiper of matroos.
Hun beloning varieerde van 36 tot 10 gulden
per maand. Daarbij kregen zij een vergoe-
ding per gevangen walvis (2 tot 1 gulden).
Men jaagde in de vangstgebieden op de
Groenlandse walvis vanwege diens hele
dikke speklaag en uiterst lange baleinen.
Deze walvis was een aardig beestje: De
grootte varieerde van 18 tot 20 meter.
Het vrouwtje was zelfs nog groter. Omdat
deze vis traag zwom, was hij/zij vrij gemak-
kelijk te vangen voor de “sloepmannen”.
En, heel belangrijk: Deze walvis bleef nog
een tijdje drijven als hij/zij dood was.
Zodoende hadden de mannen in de sloepen
nog even de tijd om de walvis goed vast te
maken en daarna naar het schip te slepen.
|  |
|

|
| (c) Texelse Media. Zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de uitgever is het niet toegestaan informatie, beeldmateriaal, foto's, nieuwsberichten en/of berichtgevingen die verstrekt worden via Texel-Plaza op enigerlei wijze te verspreiden, in welke vorm dan ook. |
|
| |      |