| |
|
|
 | |  | door Rein Stam zondag 14 december 2008 |  | In juli 1763 spoelde er een potvis aan op de
Hors. Dat ook toen nieuws snel ging, blijkt
uit een artikel in de Haarlemse Courant.
Op 5 juli schreef die: “Den eersten dezer is
op de Hors komen aandrijven een Cagelot-
visch, 57 voeten lang (= ruim 17 meter).”
Men gist daarvan te sneijden 25 a 30 quarte-
len spek, commandeur Mynkom flenst al.”
Meijnkom was de oud-commandeur Meijn-
dert Meijnkom uit Den Hoorn, die uiteraard
bekend was met het flensen van walvissen.
17 Seizoenen was hij ter walvisvangst ge-
gaan en hij had zo’n 90 walvissen gevan-
gen. Hij nam zijn eigen flensmessen mee.
Op het strand werd het afgespekte spek in
vaten gedaan en naar de Zaan gebracht.
Daar werd het in één van de talrijke traanko-
kerijen verwerkt, maar de opbrengst viel erg
tegen: slechts 7 vaten traan leverde het op.
De 14 vaatjes spermaceti (=walschot, een
wasachtige substantie in de schedel van
een potvis) leverden het dubbele op.
Een potvis heeft 3.000 liter walschot. In die
tijd werden er dure kaarsen van gemaakt.
Ook maakte men er cosmetica en vetkrijt
van. Veel van de tanden van de potvis
kwamen terecht in rariteitenkabinetten.
Dit soort kabinetten vol natuurlijke curiosa
waren in die tijd erg in trek bij de bevolking.
Het skelet, of eigenlijk wat daar nog van
over was na het uitgebreide rippen, werd
tentoongesteld op de Amsterdamse kermis.
Een paar jaar later, in april 1767, voer com-
mandeur Hendrik Pronk uit De Koog met
het schip ‘het Huijs Daalbende’ van Texel.
Met 35 bemanningsleden en onder vol zeil
ging het voorspoedig richting Spitsbergen.
Maar begin mei werd de bijna volledige be-
manning overvallen door een ernstige ziek-
te die al snel slachtoffers maakte.
|  |
|

|
| (c) Texelse Media. Zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de uitgever is het niet toegestaan informatie, beeldmateriaal, foto's, nieuwsberichten en/of berichtgevingen die verstrekt worden via Texel-Plaza op enigerlei wijze te verspreiden, in welke vorm dan ook. |
|
| |      |