| |
|
|
 | |  | door Rein Stam zaterdag 6 maart 2010 |  | De Zweden hadden in de 18e eeuw al een
‘dykericompanier’, een particuliere, goed
georganiseerde reddingclub met boten.
In Engeland stelde Aartsdeken John Sharp
zijn landgoed Bamborough Castle ter be-
schikking als een soort reddingstation.
Het beschikte over een uitkijk en een soort
reddingboot, een ‘coble’ of Noorsche jol.
Na diverse expirementen bouwde Henry
Greathead een combinatie van verschil-
lende boten: de eerste ‘onzinkbare’ boot.
Deze boot was echter nog niet waterlozend,
wel was ze aan voor- en achterzijde wijd, wat
het lichtend vermogen verhoogde.
Aan de binnenzijde van de doften tot het dek
was de reddingboot bekleed met kurk.
De boot werd in korte tijd door bijna heel
Europa aangekocht, alleen ons land niet.
De politieke verhouding in die tijd tussen de
beide landen zal daar mede debet aan
geweest zijn, veiligheid had geen prioriteit.
Ook een Engels lijnwerptoestel van George
Manby werd door onze regering ‘niet echt
doelmatig geacht voor onze lage kusten.’
Een Fransman zorgde er voor dat ons
waterland een eigen reddingboot kreeg.
Koning Lodewijk Napoleon was in 1808 zo
verstandig om aandacht te besteden aan een
vinding van een zekere A.A.Titsingh.
Deze equipagemeester op de Oost-Indische
werf in Amsterdam kreeg in 4 opeenvolgen-
de jaren geen aandacht van de Minister.
Deze Minister van Marine had het veel te
druk om enige aandacht te geven aan een
‘Savingboot en weluitgedachte Machine.’
Titsingh werd het zo zat dat hij een openba-
re inschrijving opende en zo de benodigde
gelden bijeenbracht om de boot te bouwen.
Lodewijk Napoleon snapte het wel en wilde
in 1808 12 boten van dit type aanschaffen.
|  |
|

|
| (c) Texelse Media. Zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van de uitgever is het niet toegestaan informatie, beeldmateriaal, foto's, nieuwsberichten en/of berichtgevingen die verstrekt worden via Texel-Plaza op enigerlei wijze te verspreiden, in welke vorm dan ook. |
|
| |      |