Droogte en nattigheid: “As ’t in april maar natte wil”

Door Gré Dros
Gepubliceerd voor: Texel deze Week
806 x bekeken
In de Nederlanden liepen geregeld van die ‘feugeltjesmense’ uit de stad, daar waren ze bij Hopman wel aan gewend. Af en toe maakten ze een praatje. Dan vroeg er een bijvoorbeeld of het bij hun op ‘t land geen problemen gaf in de winter, als met hoge vloed de Slufter onder water liep Vader Hopman kon ze daarover geruststellen: “Bij hóóg water, dan doene wee ’t hek dicht.” ‘Oompie Dijt’ kuierde op zijn dooie gemak in de stromende regen van de kerk naar huis. Logman ging hem op een koggeltje voorbij en riep: “Je mag wel opskiete met die reege!” Dijt was niet onder de indruk.


“Het regent gunter ok, vriend”, reageerde hij (vrij naar een gedicht van Génestet) en liep geen stap harder.

Droogte of nattigheid, dat maakt in het boerenbedrijf een hoop verschil.

‘Een dróóge maart is goud waard, as ’t in april maar natte wil.’ Bij een heel regenloze zomer kan het land zo droog zijn, dan ‘ken je d’r een luus overheene jaage’.
Dan hoopten de boeren op een flinke plensbui, dat ‘t eindelijk eens ‘skotspiekers en ouwe wijven’ regenen zou.

Maar het kan ook te gek. Op een keer, dat was na een periode van extreme regenval en veel wateroverlast, kwam burgemeester Schipper naar De Waal om zich over de toestand ter plaatse te informeren.

‘Hoe was het hier?’

Jan Zoetelief nam het woord: ‘Het was hier zo erreg burregemeester,’ zei hij, ‘zo erreg dat ’t aambeeld van Jaap Keijzer deur De Wéél dreef.’
Reacties (0)